Hoe draait jouw motor?

Motorkamp 2015

Motorprogramma

Hoe draait jouw motor?

Schrijvers: Mary Sue Willems en Sherry Shellenberger, Ergotherapeuten

Een Alertheidregulatie programma voor zelfcontrole en concentratie verbetering

 

Als we in het onderstaand verhaal het woord alertheid vervangen met motor dan is dat waar we het tijdens kamp precies over hebben. Alertheid = motor regulatie.

Verondersteld wordt dat elk kind op de basisschool stil in zijn stoel moet zitten om op te kun­nen letten en het is bijna vanzelfsprekend dat elk kind dit enkele minuten achter elkaar kan. Maar dit is een vrij ingewikkeld proces en om dit voor elkaar te krijgen hebben we minimaal een precies goed niveau van alertheid nodig.

Onze alertheid/motor niveau verandert steeds, de hele dag door. De meeste mensen beginnen de dag met een lage alertheid/motor als we wakker worden en het wordt steeds hoger terwijl we opstaan en bezig zijn. We zijn automatisch in staat om steeds een bij de situatie passende alertheid te regelen zodat we kunnen opletten en leren.

Als we een lange tijd stil zitten, of wij er zelf voor kiezen of niet, zal onze aandacht vanzelf minder worden. Maar soms worden we juist steeds alerter op de omgeving in plaats van op een ding gericht te zijn bijvoorbeeld wanneer wij ons bedreigd of onveilig voelen of emotioneel worden afgeleid. Als dit gebeurt moeten we zelf in staat zijn om de geschikte alertheid/motor niveau weer te kunnen krijgen of te wel de motor precies goed laten draaien.

Kinderen met Sensorische Informatieverwekingsproblemen hebben vaak moeite met het automatisch kun­nen regelen van de juiste alertheid/ motor niveau tijdens gewone activiteiten. Deze kan dan vaak te laag of te hoog zijn voor de taak waar zij mee bezig zijn. Als de alertheid/motor te laag is lijkt het kind moe of niet gemotiveerd. Zij worden vaak “lui” genoemd. Zij hebben vaak geen zin om met de klas mee te doen en lopen verveeld rond in de pauzes. Zij kiezen vaak rustige en geen actieve spelletjes in hun vrije tijd. Daarentegen kunnen zij soms onredelijk overstuur raken van kleine incidenten. Als het alertheid/motor niveau te hoog is kan het kind niet lang genoeg opletten om zijn aan­dacht erbij te houden of zijn werk af te maken. Hij is erg bewegelijk maar kan tijdens de pauzes toch niet met anderen meedoen. Hij is snel emotioneel en heeft vaak ruzie. Een leerkracht mag in de klas bewegen zoveel als zij wil, eet of drinkt wat en is eraan gewend te doen wat zij nodig heeft om met de juiste alertheid/motor niveau de les af te ronden. Deze vrijheid hebben de kinderen vaak niet.

Met het motor-programma leren we dat er 5 manieren zijn om je alertheid/motor te regelen:

  1. Bewegen is de belangrijkste prikkel die we kunnen gebruiken om een goed alertheid/motor niveau te helpen handhaven. Dit heeft zowel een kalmerende als stimulerend effect en is over het algemeen vrij eenvoudig in het dagelijkse programma in te bouwen. Denk aan het even lopen om iets te halen of de pauze gebruiken om in beweging te zijn. Dat geeft nieuwe energie.
  2. Aanraken doen we door te wriemelen aan een koordje, met je handen door je haren of spe­len met een sleutelhanger.
  3. De mond schakel je in door te kauwen aan je wang of lippen, even water drinken maar soms moeten pennen, plasticbekers of kragen er ook aan geloven.
  4. Kijken naar buiten, figuurtjes inkleuren met je pen of op de game boy spelen zijn manier ­waarop de ogen een regelende taak hebben.
  5. Luisteren naar je favoriete muziek, neuriën tijdens je werk en soms trommelen op de tafel zijn manieren om je gehoor in te schakelen.

Door te ontdekken wat voor jou werkt om je alertheid/motor niveau te veranderen leer je zelf te bepalen wat je nodig hebt of wat je moet gaan doen om dit te bereiken. 

 

Hoe kun jij je zintuigen inschakelen als hulpmiddel bij aandachtsproblemen?

Met behulp van de effecten van zintuigprikkels op de alertheidsregulatie proberen we duidelijk te krijgen hoe we via de zintuigen ons basis functioneren kunnen beïnvloeden.

De zintuigen:

  • evenwichtsgevoel (versnelling)
  • spier- en gewrichtsgevoel (kracht, weerstand)
  • tast(aanraken, huidgevoel)
  • gezichtsvermogen (zien van lichtcontrasten, kleur)
  • gehoor (geluidstrillingen)
  • proeven (smaak)
  • ruiken (geur)

De taken van de zintuigen zijn de prikkels te registreren vanuit het eigen lichaam en vanuit de buitenwereld. Per zintuig is dit verschillende informatie.

We spreken van een goede registratie wanneer alle zintuig informatie in het centraal zenuw­stelsel geselecteerd en aan elkaar gekoppeld wordt zodat er adequate reacties ontstaan op de prikkels. Dit kan een bewuste of onbewuste reactie zijn.

Bijna alle zintuigen kennen een beschermende en een waarnemende taak.

De bescherming zal altijd als een reflex overheersen als dit wordt gesignaleerd. De reacties bij bescherming kunnen zijn: vluchten, vechten of angst. Wanneer dit door overregistratie/ hyperresponsiviteit te vaak wordt opgeroepen kunnen we de volgende gedragsmatige reacties zien:

  • het vermijden van situaties,
  • bang zijn voor het onbekende of onverwachte,
  • agressief zijn,
  • terugtrekken of geen zin hebben,
  • stil in een hoekje kijken,
  • afwachten,
  • controle willen hebben,
  • de baas spelen,
  • alleen op je eigen manier kunnen spelen,
  • snel wegduwen of slaan zonder dit bewust te willen.

Zo kan door onderregistratie/ hyporesponsiviteit van zintuigprikkels ook een zwak lichaamsgevoel ontstaan waar­door de sensomotorische ontwikkeling een achterstand kan oplopen.

De zintuigen hebben ook een belangrijk effect op de staat van alertheid in het algemeen.

Alertheid is de staat van waakzaamheid van ons Centraal Zenuwstelsel. Onze alertheid wordt voor een deel in het hersenstam gebied van het CZS geregeld waar onze onwillekeurige reac­ties vandaan komen. Maar alertheid wordt ook door de grijze hersencellen beïnvloed wat we de willekeurige of bewuste reacties noemen.

Vanuit deze gedachte en enige kennis hebbend over de functies van de verschillende zintuigen kunnen we de effecten ook bewust stimuleren.

In het Alertheidsregulatie programma “Hoe draait jouw motor?” stellen we voor het gemak dat er vijf manieren zijn waarop we de zintuigen gebruiken te behoeve van het veranderen van de alertheidsniveau nl.:

  1. Beweging (bv. Trampoline springen, schommelen)
  2. Aanraken (met een stressbal frummelen, knuffel aaien)
  3. Kijken (naar buiten kijken, lichtshow)
  4. Luisteren (verschillende soorten muziek luisteren)
  5. Mond (koud water drinken, door een dun rietje zuigen)

In het programma noemen we dit de vijf motorveranderaars. Afhankelijk van de manier waarop je CZS reageert zal een het effect van een motorveranderaar alertheid verhogend, verlangend of regulerend werken. Met het programma leren de kinderen welke activiteit voor hun werkt en in welke situatie.

 

Voor meer informatie

www.nssi.nl

www.alertprogram.com